
Wet werk en inkomen kunstenaars
Artikel 11 Beëindigingsgronden
1
Onverminderd de artikelen 8, 10, 19, 25 en 26, wordt het recht op uitkering beëindigd, indien de kunstenaar:
a
of zijn gezin over in aanmerking te nemen vermogen is komen te beschikken of over een in aanmerking te nemen inkomen gelijk aan of hoger dan het voor hem geldende bedrag, bedoeld in artikel 8, onderdeel a;
b
niet kan aantonen alleen of samen met zijn echtgenoot met werkzaamheden volgens bij algemene maatregel van bestuur nader te bepalen voorwaarden in ieder geval gedurende de periode, bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, over de periode van twaalf kalendermaanden onmiddellijk voorafgaand aan respectievelijk de dertiende uitkeringsmaand 2.800,00, de vijfentwintigste uitkeringsmaand 4.400,00 en de zevenendertigste uitkeringsmaand 6.000,00 te hebben verworven;
c
niet kan aantonen in enig jaar als kunstenaar werkzaam te zijn geweest;
d
of zijn echtgenoot daarom verzoekt.
2
Het college onderzoekt regelmatig of de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of c, zich voordoen.
3
Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de regelmaat waarmee onderzoeken als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden en het tijdstip van beëindiging van de uitkering indien een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zich voordoet.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.